Deze website is deel van www.bruggelokaal.be.

Onze verhalen

Onderstaande verhalen werden ons over de jaren heen bezorgd door de buurtbewoners.

(klik op de titel om te springen naar de bijhorende tekst)

Kerstmijmering (2006)


In 2006 is er plaats in de herberg

Als de winkelstraten leeg lopen omdat winkels, warenhuizen  en stalletjes  eindelijk gesloten zijn; dan blijven de straten veel te fel verlicht achter voor de weinige mensen die tussen de flarden inpakkingspapier en etensresten naar huis lopen.

Dan is hun uur gekomen; mensen met vreemde gelaatstrekken sluipen dan uit hun huisjes.  Het zijn oude woningen waar rolluiken nooit opgetrokken worden,  waar deurbellen niet werken en brievenbussen uitpuilen van de reclame.

Dicht langs de gevels lopen ze naar steegjes waar restaurantkeukens en hotels hun dienstingang hebben; of ze worden  door veel te grote en dure  auto's opgewacht en weggereden naar duistere bestemmingen.

Waar ze terechtkomen is er geen kerstversiering; laat staan kerstsfeer maar … er is plaats in de 'herberg' om het restafval te verwijderen, de vaat te wassen en weg te zetten, groenten te kuisen, toiletten  en gangen te reinigen, vloeren te schrobben ….

Voor hen is  het feest want ze hebben werk; werk om te overleven in  een samenleving waar ze amper geduld  worden.  Ze hebben een inkomen om  alles te kunnen betalen: een dak boven het hoofd maar ook handige tussenpersonen die voor alles zorgen …  Nu kunnen ze naar huis schrijven naar de familie dat alles goed gaat want er is  geld te verdienen en … straks zullen ze rijk worden …

Maar als de kerstmuziek verstild is, de kerststerren verbleekt zijn, de  kerstmannen  verdwenen, de koningen naar huis zijn en de dennenbomen op een hoop liggen;  dan  zou Kerstmis pas voorgoed kunnen beginnen en rekent men op mensen van  goede wil.

december 2006
Raoul Vanparys

 

Weerbericht uit de buurt anno 2006


AUGUSTUS 2006: somberste maand

 
"Wanneer zal de zon terug schijnen"

In de "meers" stond een oudere man in zijn deurportaal te kijken naar de regen en de paraplu's met mensen onder, die zo maar passeerden.  Iedereen bleef onder zijn paraplu verscholen maar toch werd hij van tijd tot tijd opgemerkt.  Steeds vroeg de man naar de mening van de passant over het weer.  "Wanneer zal de zon terug schijnen?"

De één zei:"Dat kan niet; we zijn in België!"   Een ander antwoordde:"Wacht het weerbericht af, maar wie is daar al niet ontgoocheld in geweest?"  Nog één dacht aan de vele oorlogen en zag er geen licht in.  Een volgende meende dat er te veel vliegtuigen in de lucht waren en heel wat mensen verwezen naar de opwarming van de aarde.   Allemaal stapten ze verder door de regen naar drogere plaatsen.
 
Maar de man in het deurportaal bleef dag in dag uit dezelfde vraag stellen.  Ook toen een oude man steunend op een stok traag passeerde en even stopte om hem een poosje aan te kijken.  De oude man antwoordde halfluid:"De zon blijft altijd schijnen in je straat als de buren elkanders naam kennen, elkaar groeten, zorgen en vreugden delen en samen buurten."
 
Zondag 27 augustus ll. scheen de zon in de somberste maand aller tijden want … Het was het zomerfeest van de Meersen in de tuin van het Minnewater.  Een kleine honderd mensen praatten, aten en zongen samen.  De volgende dagen is de zon blijven schijnen ….
 
 
Raoul Vanparys
 
 

Beelden uit mijn kinderjaren (2003)

Eerst naar de mis

Beelden uit mijn kinderjaren
'Het jaarlijkse wijkfeest in de Meersen'
 
Het jaarlijkse wijkfeest in de Meersen was traditiegetrouw in de eerste zondag van juli.
 
De beelden staan in mijn geheugen gegrift. Ik zie het feest nog levendig voor mij.
 
Ik was toen misschien 7 à 8 jaar en zal het zo getrouw mogelijk vertellen.
 
Er was een wijkcomité met Mr. Etienne Claeys als erevoorzitter. Verder had je Lucien Roos, als grote bezieler van de stoet. Hij was geen toneelspeler, maar kon een stoet ineensteken. Ook had je nog Mr. Floreal, en verder Mr. Druwel, Mr. Neutens, Mr. Steeman en Mr. Clicteur. Er waren wel nog anderen, maar deze zijn de uitspringers, naar mijn mening.
Het was heel vrijblijvend om in de Vereniging als lid mee te doen. Als je werkelijk lid wou zijn, kwam Mr. Clicteur, maandelijks -denk ik- 1 frank ophalen.
 
Eerst een tussendoortje.
Voor de leden van de Vereniging kwam op het Sinterklaasfeest de heilige man ‘himself’ in een koets de kinderen een zak snoep afgeven. Ze moeten wel op deze dag aan hun deur staan.
 
Nu terug naar die zondag van juli wanneer het jaarlijkse wijkfeest in de Meersen doorging.
 
Het feest begon al de avond voordien met een ‘slufferbal’ op de Statieplaats (nu ’t Zand). De sfeer kwam er dan al in.
 
De zondagmorgen was heel het bestuur present om de H. Mis van 9.00 uur in Sint Salvators bij te wonen want daar hielden ze van. Na de Mis kon het feest beginnen. Je moet weten dat iedereen voordien al druk in de weer was geweest om papieren rozen in alle kleuren te maken om de gevels te versieren met groene guirlandes.
 
De cafés hadden allemaal een mooie spreuk boven hun deur. ’t Was geestig om dat de zondagmorgen te gaan bekijken. Heel de toer bestond uit: Oostmeers, Westmeers en de zijstraten (en er waren d’r nogal wat - ik schat dat er ongeveer in de twintig cafés waren). 
Iedereen nodigde de eigen familie uit om ’s middags te komen eten en daarna de stoet in ogenschouw te nemen … en wat voor een stoet.
 
 
De stoet
 
Er mocht werkelijk mee geboft worden, want die was de moeite waard! Er deden veel vreemde groepen in de stoet mee van buiten Bruggen, o.a. ‘Op Sinjoorke’, ‘de lustige jagers’, ‘Sinorita’s’ en veel muziekgroepen.
 
Maar de schoonste groep vond ik die van de Meers zelf, de onze eigenlijk. Allemaal eigen mensen …
Weken voordien spande Lucien Roos zich in en hij had er een handje van weg, niemand kon het beter. Als je in de stoet wilde gaan, moest je je laten inschrijven aan ’t Speytje. Hij sorteerde daar al die kinderen van deze of gene groep. Het kostte hem heel wat zweet en stemgeluid, zonder micro’s.
 
 
Onze groep noemde ‘De vier jaargetijden’.
 
Eerst de kleintjes, die de Lente verbeelden, allen met een gietertje in de hand en ze zongen:

’t Huis, in bloemenpotjes lei,
moeder, zaadjes in de mei.
We zagen ze kiemen.
We zagen ze schieten.
Dan mochten wij met eigen hand,
Watertje gieten op elke plant,
Watertje, watertje gieten
Watertje, watertje gie..ie..ie..ten.

Dan kwam de Zomer.
Dit waren de jongens en meisjes van ongeveer 12 jaar, mooi gekleed als boertjes en boerinnetjes. Alles werd ineengeknutseld door Mieten Mechelaere, de vrouw van de Lucien Roos, die een winkel uitbaatte van textielwaren. Je had die grote strooien hoeden op hun ‘koppekens’ moeten zien wiegelen. Zij ‘klefferden’ met klompen aan de voeten, alles gekocht op de Bezemmarkt. De klompen waren in mooie kleuren bij de meisjes, en de jongens hadden witte boerenklompjes aan. In het midden van de groep kwam een wagen van ‘de kerselaar’ en daarover hing ook het liedje dat die groep zong.
Mijn zus (Zr. Claeys) was in die groep. Zie haar eens voor je als twaalfjarig boerinneke op ‘heur’ mooie klompjes zingen …

Zie onze kerselaar, hij is gans van bloemen wit.
Hoe prachtig staat hij daar, is hij fraaier zich aldeen.
Juist onbedeesd, zing om ter meest.
Wees verheugd van hart en geest.
’t Is feest.
Hoort gij de bijen niet in de mooie reuzenkroon.
Zij zingen ook hun lied en dat klinkt heel wonderschoon.
Gaat nu alras, honing en was,
want dat komt ons goed van pas.
’t Is feest.

 
Dan kwam de Herfst met in het midden een wagen met een molen. Daarin zat een man de wieken te draaien. Ik zat in die groep. Hier volgt het liedje:

Het windje waait, de molen draait,
Dat is de mulder zijn leven,
De mulder …
De zak rijst draaiend naar de kap
Terwijl hij ’t venstertje binnenflapt.

Dan volgde natuurlijk de Winter.
Dat waren al grote jongens van 16 jaar. Zij zongen het winterlied.

De zomer is voorbij, nu is het wintertijd.
Vermaak nu en plezier, wij voelen geen koude hier.
Schaatsen rijden, ons verblijden.
In triomfe zullen we zijn, de ziekten vermijden.

 
Die stoet werd in ogenschouw genomen door een jury die op de ere-tribune gezeten was aan het huis van Lucien Roos. Er werden punten toegekend in competitie voor de mooiste groep. De eerste werd natuurlijk bekroond.
De winnende groep bedacht de jury zelfs met een dankliedje.

Een heil en dronk bieden wij u aan
Aan hen die nog zo moedig staan:
Aan het bestuur en al zijn leden,
Dat zij nog lang tesamen leven.
Lang leven ze tesamen
Dat ze nog leven tot honderd jaren.

 
Na de stoet begonnen de cafeetjes te draaien zodat het bier rijkelijk vloeide. Nu, ze hadden er heel het jaar voor gewerkt en gespaard en ’t mocht eraf. Ze gingen dan de volgende week patatten met ‘koontjessaus’ eten. Koontjes dat was hetgeen als bezinksel bleef in de pot als er ‘smout’ gesmolten werd. Dat ding gingen ze kopen in "’t Winebakeltje" in de Goezenputstraat (waar nu coiffeur Luc is).
 
 
 
De volksspelen
 
Dan begonnen de volksspelen voor gans de week. Wie daaraan wou deelnemen moest zich laten inschrijven. ’t Was nog veel geestiger voor de toeschouwers.
 
Er was vooral plezier bij het ‘eitje slaan’, er werd dan een koord gespannen over gans de straat over heel de breedte met in het midden een papieren bolletje (een eitje) dat ze geblinddoekt moesten proberen te raken met een schuimspaan (vanaf een stap of drie). Natuurlijk liep het 9 op de 10 keer mis, tot groot jolijt van de omstaanders.
 
Dan kwam nog ‘appeltje bijt’ (in een was bassin dreven de appels op het water en probeer maar ze eruit te bijten.
 
In een andere straat was het ‘kloefje water’, een gevulde klomp met water op een wipplank, een trap op de plank en ’t kloefje trachten te vangen onder een klets water …
 
Verder was het ‘mastklimmen’, een mast werd met bruine zeep bestreken en bovenaan stond een wiel met alle soorten prijzen, maar slier maar naar beneden en reeds van halverwege!
 
In ’t Zonnekemeers zaten op een verhoog twee mannen met allerlei verfpotten mekaars aangezicht te beschilderen.
 
Op heel de lengte van de Oostmeers was er ‘zakkeloping’. Men moest echt met de twee voeten in een zak heel dat eind lopen … en er werden heel wat buitelingen gemaakt.
 
Enfin er was heel veel te zien en te beleven. Ja, dat er ook wel een pintje te veel werd gepakt staat buiten kijf en er werd dan ook soms geruzied zodat de pinten hier en daar sneuvelend … of ook zelf dronk men er wel een mee, dat verhoogde nog de pret bij de kijkers.
 
 
 
De vlag
 
Nu moet ik nog iets vertellen over het vaandel. Ze hadden de koppen bijeen gestoken en ja, ze moesten toch een vlag hebben. Dus trokken ze naar ‘Grossé’ op de Simon Stevinplaats om een geborduurde vlag met daarop de toren van Sint Salvator en de naam ‘Sint Salvators voorwaarts’ te kopen. Het vaandel kwam klaar en ze trokken ermee naar de ‘Upperpaster’, meneer Yserbyt, met de vraag om die vlag te wijden. Ze werden vriendelijk ontvangen maar moesten vertellen wat dat feesten zoal inhield.
 
Zij aan de klap tot er ene zie: ‘en meneer Patser, dat begint de zaterdagavond op de ‘Statieplaats’ met een ‘slufferbal’.
De pastoor: "Met een slufferbal, en wa dansen ze dan?"
"Ehwel bah ja …"
"Maar als dat zo is", zie de patsoor, "dan kan ik die vlag niet wijden".
 
Zo, ze mochten terug naar huis, doch ze lieten zich zo maar niet afschepen.
 
Ene kreeg in zijn gedacht: "Willen we het gaan vragen aan Mr. Logghe? Hij was proost van het A.C.V. van de Gilde en was erg voor het werkvolk".
 
En hup naar de Dweersstraat, naar Mr. Logghe. Dat werd allemaal uiteengezet, hij had waarschijnlijk binnenpretjes. Allez, het was goed. Hij ging die vlag wijden maar er was één voorwaarde aan verbonden. Ze moesten dan hun Mis niet laten doen in Sint Salvator, maar wel in de kapel van Blindekens waar hij ook proost was. Als het dat maar was, zou dit ook zo gebeuren.
 
Het feest kon beginnen. De plechtige opening gebeurde dus in Blindekens om 9.00 uur en Mr. Ysenbyt had er het kijken naar …
 
O O O
 
Hier volgt nog een liedje dat daar ’s avonds, al hossen achter de fanfare, een soort taptoe, gezongen werd: dat klonk zo:

Je moet daar nie zitten lijk ene bagien.
De drank, die moet er geschonken zien.
Schienkt den drank zijnen klank.
Dat me rollen, dat me rollen.
Dat me rollen in de gang.
Laat ons, laat ons vrede maken en niet gaan slapen.

 
Voor de repetities van de stoet legden ze beslag op heel het kwartier en overal hoorde je zingen.
In de ‘Germana’; in de ‘Congregatie’ van de Westmeers; in ‘Brugge aan zee’ en op de ‘Veste’ alsook in het café ‘de Pollepel’. Daar werden de algemene repetities gehouden, op de ‘vest’, om goed op stap te leren gaan en ook om te zien wat een tijd dat alles in beslag zou nemen. Ja, ja, er was orde in de horde!!!
 
Dat was toch voor die jaren - 1929-1930 - wat betreft organisatie, een waar succes!
 
Na de oorlog 1940-1944 wilde men dat heropstoven, natuurlijk met een ander bestuur en … een gans andere mentaliteit. Zo begonnen ze met haut-parleurs op te hangen aan de muren op straat, zodat heel het kwartier van de muziek zou kunnen genieten ??? De meeste tijd verging echter in plaatjes voor elkaar aan te vragen. Het leek meer op een ‘braderie’ zonder commercie. Neen, ’t was dat niet meer. De samenhorigheid van vroeger was daar niet meer. De ziel van het buurtfeest, dat van vroeger, was eruit.
Spijtig genoeg is dit zo, ze mogen nu nog zo hun best doen om het volk bijeen te krijgen die ‘fut’ is eruit.
Het gaat niet meer en de bezieling van vroeger komt ook nooit weer terug.
 
Wij hebben het gehad en hebben ervan genoten.
 
 
 
Macharius
 
Graag had ik nog iets verteld over ‘Macharius’, het beeld in de Oostmeers dat naast de gevel van beenhouwerij ‘Sissau’ staat. Het was een beeld in een mooi arduinen nis. Macharius was een heilige die vereerd werd om gespaard te blijven van besmettelijke ziekten, zoals cholera, pest, enz. …
 
In die wijkfeesten werd dit beeld schoon met bloemen versierd. Aan weerszijden waren er kandelaars in gesmeed ijzer.
 
Na tijd van jaren begon het geheel er zeer bouwvallig uit te zien. De kandelaars waren in wankel evenwicht en het beeld achter ‘kiekengaas’ was ook al niet meer ‘gaaf en gezond’.
Na een pittig artikel in een Brugs Cultuurblad kreeg het toch weer aandacht. Het moest een restauratiebeurt krijgen. De Vereniging ‘Brugge Mariastad’ en de dienst Monumenten en andere bevoegde instanties maakten er werk van. Jawel, het werd volledig opgepoetst en de kandelaars werden rechtgezet en heel vernieuwd, zodanig dat - naar ik heb horen zeggen - het echte oude beeld en veilig plaatsje heeft gevonden ergens in een museum en er een nieuw Macharius-beeld in alle pracht praal de oude moest vervangen.
Dat was ook al een belevenis. De inzegening van het mooi versierde beeld had plaats door niemand minder dan E.H. Kanunnik Lagrain. Hij kwispelde met wijwater en hield een heel mooie gelegenheidsrede. Dat was de moeite waard en hij zei - wat ook waar was - "De Meers wordt van langsom schoner".
 
Dat zijn nu allemaal vertellingskens uit de oude doos of uit het verleden. Ze werden verhaald - niet ‘door horen zeggen’ of gehaald ‘uit oude papieren’ - maar door een ware ooggetuige, die nog met veel smaak al die belevenissen met wil delen en in uw geheugen laten intreden.
 
Ik wens u evenveel plezier aan deze lezing als ikzelf heb gehad aan die kleurrijke folkloristische gebeurtenissen. Wat leefde er zoal in die ‘Meersen’ zo’n zeventigtal jaren geleden … dat is wel nog niet zo lang geleden, maar wie weet er nog iets van …
 
Voor mij was dit het vertellen waard.
 
Cécile Claeys, Oostmeers 28 te 8000 Brugge

De meersen 80 jaar in vogelvlucht (2002)


Bij deze gelegenheid, waarbij heel wat bewoners van de Meersen samenkomen, is het wellicht eens interessant te vernemen hoe het in dat 'schijnbaar nu rustig kwartier' vroeger was !!!
 
In één woord gezegd: een 'biekorf' van kleinhandel & neringdoeners die bomvol initiatieven zaten.
De Meersen tachtig jaar terug in vogelvlucht
Het kwartier: Oostmeers, Westmeers, Zonneke Meers, en alle zijstraten.
 

 

I. Oostmeers

We vertrekken aan de hoek Goezenput/Oostmeers

-  Vooreerst komen we aan "'t Weverietje" De Medts (= Grootouders van Yves, Patisserie Katelijnestraat). 
-  We volgen de onpare nummers en treffen de Moederhulpe (Kinderwelzijn) aan.  Later werd dit gebouw gebruikt voor "de Grote Lering" (dit was het jaar vóór de plechtige communie) en nog later werd dit het Parochiaal Centrum.
- Ernaast een poort, met beeldje van het Kinderwelzijn.
- Daarnaast treffen we Keersengieter Van Lancker (= nu is dit Design van Wynhoven) aan. 
Deze gebouwen strekten zich uit tot aan Moederhuis (Materniteit Sint Jan, sedert 1912). 
Dit gebouw was beschermd door een voorlandje met hekkens en arduinen zuilen (ideale speelhoek voor de kinderen) en eindigde rechtover de Sint Obrechtsstraat.
- Tussen Bakkersstraat en Koolbrandersstraat had Van Lanckeren een soort remise, die afgebroken werd in de jaren 1930 om plaats te maken voor de huidige nog aanwezige drie huizen.
- Verder, naast het Moederhuis, een kruidenierswinkeltje Anna Warnier.
- Het 3e huis hier voorbij woonde Maria de wasvrouwe.  Zij werkte voor Madsens in de Noordzandstraat.  Bij Maria kwam de nieuwkuis terecht voor bovengenoemde zaak.
- Daarnaast een zéér mooi, waardevol en kunstig gebouwd huis (Izeballe). 
Dit werd in de zomer onafgebroken dagelijks gekonterfeit op doek door kunstenaars. 
Deze posteerden zich aan de hoek van de Sint Obrechtsstraat.
- Naast deze mooie gevel, de kapel van het Patronaat H. Germana & annexen = zalen, met ingangspoort met trappen.  Dit situeerde zich recht over het huis De Cuyper (nu Huize Sint Jan).
- Naast de Germana op de hoek de textielwinkel "'t Bakkerietje" (vroeger was het een bakkerij en de naam bleef in de volksmond behouden).
- Huis Leliaert.  Deze handelaars trokken ook naar de markten. 
- Hier komt het Zonneke Meers in de Oostmeers uit, we komen daar later op terug (zie pag 4).
- Voorbij dat Zonneke Meers (ooit herdoopt door de Stad als Nieuwe Meers, maar niemand gebruikte deze nieuwe benaming zodat het maar Zonneke Meers bleef tot op heden) het eerste café: "Brugge aan Zee".  Daar bevindt zich momenteel de Kalligrafe: Sofie Verscheuren.
- Daarna het snoepwinkeltje van Leetjie Vallekie.
- Nog vóór het beeld Macharius hadden we Café "Macharius". 
- Ernaast beenhouwerij Vootjie Bussche en Emmerence.
- Volgden dan drie cafés: "'t Hapertjie"; "de Nachtbarge" en "'t Half Maantje".
- Dan had men "de Lange gang" en daarnaast "De Kloefe" met Jan en Prudence.
- De laatste zes huizen op deze rij waren bezit van "de Gilde" en bewoond door Floreal, Bojaert en Margots en Daele.
- Waar home Van Dame was stond de wasserij De Lelie (tot aan de Gasthuisstraat = nu de Professor Sebrechtsstraat). 
 

Professor Sebrechtsstraat

- Heel de straat was één gasthuis voor oude lieden, behoeftige armen. 
Deze werden verzorgd door de Zusters van Liefde (hoofdklooster Gent). 
Dit gebouw werd, nog vóór de 2e Wereldoorlog, kliniek Minnewater. 
Het zou nog tot 1976 duren vooraleer de patiënten van het Minnewater zouden verhuizen naar Sint-Pieters "Ruddershove", het huidige Sint Jan.  Nu is het weerom een verzorgingstehuis "Minnewater".
- Deze straat loopt verder tot tegen de vesting, met naar rechts afzwenkend de grote slagbomen over de sporen.  Daar komen we in het tweede deel van de Begijnenvest met rechts Café "De Promenade" in de diepte en verder de gebouwen van het Gasthuis: Sint Juliaan doorlopend tot in de Boeveriestraat.  Later verhuisde Sint Juliaan naar Beernem, Sint Amandus, en op die plaats kwam de vakschoof of VTI.
 

Terug naar de Oostmeers

- De overzijde van de Professor Sebrechtsstraat.  De huidige drie hotels waren slechts een haag langs de Reie. 
- Op de hoek van Het Eiland 'een straatje met einde tegen de spoorweg' was "Het Speytje" een café. 
- Over het straatje Eiland stak men de overwelfde Reie over, die zowel de Westmeers als de Oostmeers onderduikt om te eindigen vlak vóór het Sashuis, langs 'de steert van 't Begijnhof'. 
- In de Oostmeers, naast die Reie stond de mouterij Cauwe met woonhuis in de Westmeers.
- Ernaast (we blijven in de Oostmeers) noemde men die hoek 'de pishoek' waar de paarden gestald werden van de Vervoerdienst Houtmondt uit de Ontvangersstraat.
- Daar voorbij een likeurwinkel: bij Leentje de Carbeure. 
In één van deze drie huizen was het begin van het kunstatelier Sofie Verscheure.
- Dan het Jagersstraatje (= nu Garsoenstraat).
Het eerste huis werd genoemd "bij Kolen en Cokes", men verkocht er in de winter: kolen en in de zomer: fruit.
- Verder café "De Blauwe Duif".
- Dan textielwinkel van Lucien Roos en Marie Mechelaere, die ook de markten deden.
- Hier hebben we de visvrouwen (ze hadden geen winkel maar leurden met een stootkar). 
Het waren Cesarine, Netje en Falle van den Tricadée.
- Verderop een groot gebouw: "Bobinnage", die later "Pharmacie Unica" geworden is.
- Dan volgden gewone werkmanshuizen tot recht over 't Zonneke Meers.
- Daar hadden we de groentenwinkel van Emma de Groenseliere, dit huis had een grote ingangspoort.
- Een reeks van vijf huizen liep tegen het grote huis: De Cuyper.  Dit was een illustere familie.    Mijnheer was professor.  Eén van de dochters werd directrice van de Rijksnormaalschool te Brugge, Jw. Anna.   Jw. Cécile deed het huishouden.   Er was nog ene onderwijzeres bij de 'Papnummen' (Wijngaardplaats).  Een zoon advocaat huwde met een De Haene een schoonzoon, leraar te Brussel.  Mr. Boereboom en man van de oudste dochter was procureur des Konings, Mr. Axters (Beenhouwersstraat).  Er waren ook twee zonen priester.
- Dan volgen de huizen tot de Sint Obrechtsstraat.
- Op de hoek een 'spekkenwinkeltje' van Lewiesekie Marooie. 
- Hoek Koolbrandersstraat: winkel van kloefen en borstels bij 'den Boes'.
- Overzijde van de Koolbrandersstraat café "Au Passage du Marais". 
- Bij Six met in de Oostmeers de glazenier Fonsen Six en Gust Legon, elektricien.
- Over de Bakkersstraat woonden Ferden Van Labeke, kaartjesknipper aan de oude Statie.
- Hoek Sint Jan in de Meers: "Pharmacie Centrale de Bruxelles", met als directeur Mr. Herremans.  Alle apothekers moesten zich daar bevoorraden.  Deze woonst en farmacie brandden totaal af in 1967-1968.
 
 

II. Westmeers

We vertrekken aan de Korte Vuldersstraat 

- Vanaf Korte Vuldersstraat: Rechts op de hoek een tamelijk groot huis "de Koolboeie" genoemd. 
Dit was een woonst voor behoeftige gezinnen, openbare onderstand.
- Daarnaast twee kleine huisje waar mensen woonden die het huisvuil ophaalden.
- Op de hoek met 't Zand: Café "De Zwarte Leeuw".  Daar liep de straat vanaf "de Gistboeie" voorbij "'t Putje" naar de hotels rechtsover het Station.
- Aan de overzijde, kant Station, had men - op een verhoogde helling - de halte van de stoomtram naar Knokke.
- Neerwaarts naar de Westmeers de café "'t Zwart Schaap" en
"'t Vigilantje", een heel klein spekkenwinkeltje waar ook tabak te koop was en café "In den Tram".  Gans deze hoek werd afgebroken na de 2e Wereldoorlog en men sloopte ook café "Jabbeke" bij Maaten Prot, die zich de luxe kon permitteren in de inkom een ijskreemzaakje te runnen.
- Verder de vroedvrouw Marietje Ballegeer, die heel wat kleintjes op de wereld hielp.
- Volgt weerom een kruidenierswinkel en "Café Sint Hubert", café "De Welkom".  Hier hadden we de poort van den 'Blomzak' de koetsier die hier zijn peerden voederde en koetsen poetste.
- Volgden de huizen van Schallebrood.
- Rechtover de Koolbrandersstraat de winkel van Emma Passet, aardappelen en kloefen.
- Rechtover nu "Lode Zielens" de kruidenierszaak van Rozeke Margot: van kaas, petrol, heilbot en sport ...
- Taxibedrijf de Knuydt.
- Over de Sint Obrechtsstraat de houtzagerij van Baas De Kuyper waar men zakken schavelinge kon krijgen.
- Beenhouwerij Van Overschelde.
- Café "De Lustige Jagers".
- Kruidenierswinkel van Mieten Moere.
- Smid Meuleman, die stootkarren verhuurde voor verhuizingen.
- Daar omtrent het huis 86 uit de 17e eeuw is een kunstig huis.  Destijds woonde Louis Reckelbuscg, kunstschilder er.  In de 19e eeuw werd hier een kantschool gehouden.
- Café "China".
- Wasserij Van Sevenant met een ganse reesem huizen voor de wasserij-werkende bewoners.
- Verderop nog een wasserij van Clincke.  Daar waren flinke strijksters van manscols!
- Beeldhouwer De Wispelaere had daar zijn huis en atelier.
- Café "De Groene Mande" en café "De Belga" vormden de staart aan het Eiland.
 
- Wat hadden we aan de overzijde?
- Het voorhuis van de Mouterij Cauwe.
- Op de hoek van de Jagersstraat (= nu Garsoenstraat) nog een kruidenierswinkel en wat verder de Kaasboer Paul Roose.
- In een beluik zoals "Het Wevershof" vond men hier het 'Fort Mese'.  Daar woonden zeer arme mensen. 
- Daar stond nog de pantoffelwinkel van Fiele Verstappen, die ook de markten afketste.
- De café "De Pollepel" naast een winkeltje van garen en lint bij "Den Invalieden", die ook fietsen verhuurde tegen 5 frank voor een ganse voormiddag gebruik.
- De wagenmakerij van Nollet stond even voorbij de poort van Pieterul (verhuur van koetsen). 
- Op de hoek van de Sint Obechtstraat nog de café "De Sparappel".
- Als men de straat overstak had men tussen de Sint Obrechtsstraat en de Koolbrandersstraat de congregatie waar nu de Boekerij Lode Zielens staat.
- Aan de overkant van de Koolbrandersstraat lag een hoek in ruïnes, nog een overblijfsel van Wereldoorlog I.
- Later zou de Gistboei van naast "Het Putje" hier ondergebracht worden in een totale nieuwbouw.  Dat is nu een restaurant "Het Steen".
- Op de hoek van de Bakkersstraat floreerde de bakkerij Deleu.
- Op de hoek daartegenover had men de meubelzaak Vande Kerckhove.
- Op de hoek van de Sint Jan in de Meers stond de kruidenierszaak "De Kleine West".
- Aan de overkant trof je café "Aertrycke" aan, waar drie dochters coiffeuses de krulijzers hanteerden.
- Juist ernaast café "Mon Paris".
- Daar had men nog een ferm loodgietersbedrijf, vader en zoons, Caestecker.
- Op de hoek met de Goezenputstraat was er een Hotel "Atlantic". 
Later werd dit het woonhuis van Achiel Van Acker; nu is dit bewoond door de familie Lanssens.
- En tot slot op de hoek van de Korte Vulderstraat: een beenhouwerij De Vos.

In de zijstraatjes

Sint Jan in de Meers

- Het spekkenwinkeltje bij Leene Alloo konden de kleintjes terecht …
terwijl aan de overkant, eeuwig en ervig, een schilder kunstenaar de ganse rij huisjes met als achtergrond de O.L.Vrouwetoren, zat te schilderen. 
Leene zat er soms ook bij, op een stoel scherreldewiep tegen het venster van de overkant.

Bakkersstraat

- Een heuse pelswinkel ofte fourures, later verhuisd naar de Kuipersstraat.
- De beenhouwerij Vernimme en de melkverkoopster Jeanne.

De Koolbrandersstraat

- Naast de "Passage du Marais", reeds vernoemd, woonde de roste Vinkenvanger, die voor de Brugse zwanen zorgde.  Hij was van beroep koperslager. 
- Daar was ook Gusta Cogghe, die heel de Meers rontjoolde met haar manden garnalen.  Zij en haar man stonden ook hele namiddagen in de Zuidzandstraat, hoek Hoogste van Brugge, garnalen te pellen voor de hotels.
- Even voorbij Gusta weerom een strijkster Leene Boutte.
- De smid Charles Courtoys tegenover de onderpastorie.
- In de onderpastorie woonde E.H. Lambrecht, die later de eerste pastoor werd van de kersverse Christus Koningsparochie en opgevolgd werd door E.H. Borre.
- Als buurvrouw kende men nog Margriete 'de Kromme' (die scheve heupen had en aardappelen verkocht).  Tussendoor breide ze manszokken tegen 5 frank het paar.  Wie doet dat na?
- Zenobie verkocht goedschiks nog melk en haar dochters bootsten de 'haute couture' van de Mariastraat na.  Zou je 't geloven in zulke straatjes?

Sint Obrechtsstraat

- In de Sint Obrechtsstraat aan de linkerkant vanuit de Oostmeers waren drie kleine huisjes met een poortje dat toegang gaf tot een lange gang en leidde naar ...
een echte boomgaard die toebehorende aan de heer Fashnacht uit de Patisserie "Maison Suisse" aan het Simon Stevinplein en de Steenstraat.

Zonneke Meers

- Naast Leliaert, waar nu de refter staat van Huize Sint Jan, was de Kleuterschool & de 1e en 2e leerjaren van de O.L.Vrouw Hemelvaart.  Een galerij van die school leidde tot aan een grote zaal voor de Scouts.
- Daartegenover weer een kruidenierswinkel.
- Erover nog cafés: "De Vlaamsche Vrienden", "De Vuurtoren".
- Vervolgens een schoenwinkel "Au Rapide de Bruges" en
- uiteindelijk … de wasserij Van Vyve.
 
Dit alles kan enorm veel lijken, maar toch is het waar.  Je kon in de buurt van alles bevoorraad worden, zonder verder de stad in te trekken.
Het was een leuke buurt waar iedereen, ja iedereen kende.
Wellicht heb ik enkelen plezier kunnen doen met deze vogelvlucht in de tijd van toen ...
 
Met genoegen,
 
Cécile Claeys
Oostmeers 28
 

De stoker en de machinist (31-08-2001)

oud station te Brugge

De stoomtrein naderde het station en floot de wachtende reizigers een stapje achteruit. De trein stopte iedere dag precies op dezelfde plaats. Vakmannen waren het! Een meisje, morgen jonge vrouw, maakte zich uit de groep pendelaars los en rende vijftig meter terug, naar de stoomspuiende locomotief toe. Ze had een blos op de wangen en keek vrolijk op naar de twee zwarte koppen die door het ruitloze venstertje verschenen. Ze keken guitig op haar neer. De machinist knoopte een rode doek met witte bollen los en veegde er vervolgens zijn gezicht en hals mee af. Toen bond hij hem opnieuw om zijn nek en leunde weer op zijn ellebogen naar buiten. Hij bleef lachen. De stoker vroeg plagend aan de tiener op het perron: "Wel, hoe zit het? Durf je het eindelijk?" "Natuurlijk" antwoordde ze overmoedig en ze nam de toegestoken steenkoolhand. Ze wou opstappen maar haar veel te nauwe rok sputterde tegen. Geen probleem, met haar vrije hand trok ze ongegeneerd de stof tot boven haar knieën. Nummer één boven haar floot bewonderend en ze was nog te jong om te doen alsof dit haar ergerde. Daar stond ze dan, achttien en fris, tussen stoker en machinist.
 
Laatstgenoemde prutste aan een paar hendeltjes en het logge gevaarte tsoeketsjoeketsjoekte zich moeizaam op gang. De stoker naam een schop met lange steel, schepte ze vol steenkool en mikte ze met een krachtige draaiende beweging in de vuurhaard één meter achter zich.
 
Alhoewel de wind door haar haren zwiepte dacht ze: "Wat is het hier heet!" Ze kon echter niet achteruit of ze donderde de trein uit en daar had ze voorlopig niet de minste behoefte aan. Tien kilometer verder betekende de eindbestemming voor haar. Ze zoende haar zwetende koolzwarte vader, zwaaide naar de machinist naast hem en sprong, helemaal alleen, van de locomotief. Er waren nog enkele reizigers uitgestapt en deze kwamen net voorbij. Ze wisten niet wat ze zagen. Het meisje keek langs hen heen en op haar gezicht kon je lezen: 'Dit is de trein van MIJN vader."
 
Ik zat op de bank van perron acht en rekende : dit moet vijfentwintig jaar geleden gebeurd zijn. Wat was ik toen fier op mijn vader en dit gevoel was er nog steeds. De stoker en de machinist. Dat waren toen dé mannen. Alles draaide om dit tweetal en de anderen waren slechts meelopers. De reizigers praatten met ze of vloekten ertegen maar vooral: ze rekenden op hen!
 
"Wat zijn de tijden veranderd." mijmerde ik en keek over het zonovergoten perron. Het wemelde van wachters, hoofdwachters en onderstationchefs, enfin, allemaal mannen in donkerblauw met hemd, das en kepi … "Zo noemde vader dat ook" dacht ik retro. "Moeder, waar is mijn kepi?" vroeg hij telkens bij wijze van afscheid. "Op het buffet, vader" antwoordde moeder steevast terwijl ze hem zijn "bazatse" aanreikte en ze elkaar een zoen en een kruisje gaven.
 
Ik keek naar de mannen van '85. Het was me reeds eerder opgevallen dat de drager van een kepi met één gouden streep, meestal zeer jong is en krullen heeft (dat is nu ook mode voor het sterke geslacht) en nog tamelijk groen kijkt. Twee strepen begint reeds te tellen en het individu eronder loert een stuk brutaler naar de wereld rondom hem. De drager van drie strepen kun je beter niet voor de voeten lopen en gouden banden onder een paarse strook, staat voor grijzende haren, krom gemaneuvreerde ellebogen en, het moet gezegd, ze flirten heel discreet.
 
Alles samen zijn zij nu de heersers op en rond de trein. De stoker van weleer bestaat allang niet meer of treurt naast de centrale verwarming. De machinist van '85 lijkt van geen tel, draagt geen uniform, geen kepi … Zijn elektrische trein glijdt zoemend het station binnen, stopt, en de bestuurder blijft hoog en eenzaam in zijn stuurpost. Van daaruit koppelt en ontkoppelt hij, lampjes flikkeren rood of groen en hij vult zijn volgfiche in. Dan kijkt hij op zijn digitale horloge, tuurt over de sporen en wacht op het sein tot vertrekken. De huidige machinist lacht ook nooit, praat niet met de reizigers, buigt nimmer door het open venstertje. "Kan het wel open?" dacht ik verschrikt.
 
Het perron stond nu vol reizigers met daartussen de anonieme treinbestuurder. Straks als de massa in beweging zou komen, zou ik er zonder veel moeite de echte machinist uitpikken. Zo'n man gaat meestal een beetje naar links gebogen vanwege een al of niet typische maar steeds loodzware tas aan zijn rechterhand. Het gaat met grote stappen maar nooit gehaast; de trein zal niet vertrekken zonder hem … Mijn trein liep het station binnen. Ik zwierde mijn schoudertas over mijn rug, pakte mijn regenjas en stapte naar de trein. Ook ik vergat de bestuurder. ("voerder" zegt men nu tot mijn grote ergernis.) Ik groette een paar wachters, drukte op een knopje waardoor de treindeur openschoof en verdween in het "niet rokerscoupé".
 
De dag vloog voorbij. De klanten hadden veel gekocht en ik had mij heel vrolijk gevoeld. 's Avonds kwam ik doodmoe maar intens tevreden thuis. Ik plofte mijn spullen op tafel, zette de teevee aan en zakte in de kussens want "het nieuws" wou ik voor geen geld ter wereld missen, al was het nooit goed nieuws. Ik verstijfde … op het scherm verschenen huiveringwekkende beelden, resten van wat eens een trein geweest was, één hoop verwrongen ijzer, gekantelde wagons en bloed, veel bloed …
 
Ik luisterde bevend. "In Lichtervelde, een plaats tussen Torhout en Roeselare reed een trein frontaal op een goederenkonvooi in. Balans : zeven doden waaronder de bestuurder van de aanrijdende trein. Tientallen zwaargewonden vechten voor hun leven." En de stem vervolgde monotoon: "Er werd een commissie samengesteld die moet nagaan of er soms een menselijke fout van de overleden bestuurder aan de basis ligt van dit …" "Klootzakken!" snikte ik en luider "klootzakken, lelijke, lelijke klootzakken!" en ik rende huilend naar boven.
 
De kinderen begrepen me en ze zwegen.
 
 
Mimi Deleu

Gevelkapel MACHARIUS (Oostmeers tussen nrs 47 en 49)



WIE IS MACHARIUS

MACHARIUS veelal MACARIUS geschreven. De naam Macarius is afgeleid van het Griekse Makarios en betekent 'de gelukkige'. Er bestaan nog enkele vormen van die naam: Macaar, Machaa, Macharius.
Aartsbisschop van Antiochië, patroon tegen pest en besmettelijke ziekten, zoals cholera.

Volgens de overlevering werd hij geboren in Armenië in de tiende eeuw. Bracht zijn jeugd door in Antiochië in Armenië en genoot een kritelijke opvoeding. Vooral zijn oom en peter, Makarios, patriarch van Antiochië, bekommerde zich over zijn opleiding. Hij liet hem studeren en wijdde hem achtereenvolgens tot onderdiaken, diaken en priester. Tevens duidde zijn oom hem, met instemming van het volk, tot zijn opvolger aan.
Later beschreef men hem als een uitzonderlijk iemand : hij genas zieken, was een vader voor de armen.
In die tijd pelgrimeerden hel wat oosterse heiligen naar het westen. Tijdens zijn trektocht verrichtte hij logischerwijze vele mirakels. Langs Beieren, de Rijnvallei, met Keulen bereikte hij Mechelen; doorkruiste Brabant en Henegouwen en kwam uiteindelijk in Gent aan (Abdij van Blandinusberg en de St Baafsabdij).
Hier werd hij ernstig ziek en door tussenkomst van de H. Bavo genas hij vrij vlug. Enkele maanden later brak de vreselijke pest uit in Gent. Macarius verzorgde de zieken. Een visioen verklapte dat de zwarte dood slechts een einde zou nemen als hij zelf, met zijn gezellen, aan de pest zou sterven. Macarius voorspelde zijn eigen dood voor Witte Donderdag 10 april 1012 en overleed op die dag.
De pest nam er een einde. Zijn graf werd een druk bezocht bedevaartsoord en de wonderen bleven niet uit.

VERERING IN BRUGGE
De verering tot de H. Macarius bereikte een hoogtepunt in de zeventiende eeuw. In die periode sloeg de pest genadeloos toe. De kennis van de toenmalige medische wetenschap was onvoldoende om de ziekte te genezen. De bevolking deed angstwekkend een beroep op heiligen om te helpen. Macarius was er één van.
Hetzelfde kan worden gezegd over de negentiende eeuw, toen de cholera grote delen van West-Europa teisterde. Brugge was toen ook geteisterd  door de cholera epidemie.

GEVELKAPEL IN DE OOSTMEERS
De kapel werd oorspronkelijk opgericht op 9 mei 1834 aan de gevel van het huis van Joannes Piessens aan de oostkant van de Westmeers.

De vraag kan worden gesteld of we hier niet te maken hebben met een straatnaamverwarring. De benaming Meersen slaat op de gehele wijk, maar is meteen een term die lange tijd bleef voortleven. Zo lezen we in het boek 'Straatnamen' Meers was vroeger de eenvormige benaming voor Oostmeers, Westmeers en Zonneke Meers. Met de -oostkant van de Westmeersch- werd misschien de Oostmeers bedoeld ?

Het blauwstenen wandornament bestaat uit een rondboognis met erboven in een driehoekig fronton het alziend oog van God omgeven door een stralenkrans. In de nis prijkt het eikenhouten beeld van de H. Macarius (de koorkap is in linde), waarvan bepaalde delen gdetailleerd zijn gekapt. Hij draagt het bisschoppelijke ornaat met kromstaf, ring, borstkruis en mijter. In de linkerhand houdt hij een hart (in eik) met drie nagels. Dit verwijst naar zijn marteling. Aan weerszijden prijkt een ijzeren wandkandelaar met koperen lantaarn om kaarsen te laten branden.

WAAROM IN DE OOSTMEERS
De eerst getroffenen waren vooral de bewoners van de krotwoningen en de sloppenbuurten. Het gebrek aan hygiëne, het ontbreken van drinkwater, deftige toiletten en de ondervoeding werkten dit zeker in de hand. Op een bevolking van 42500 stierven er jaarlijks 1400 mensen gedurende de eerste helft van de negentiende eeuw. Pas in 1884 ontdekte Robert Koch de cholerabacil.
Brugge behoorde toen nog tot het bisdom van Gent alwaar de H. Macarius, patroon voor de besmettelijke ziekten, sterk vereerd werd.
Vele jaren werd hij op 19 juli, verjaardag van de toewijding van de Bruggelingen tot de heilige wat betreft de cholera -in de negentiende eeuw teisterde de cholera-epidemie enkele malen Europa-, herdacht in de Sint Salvatorskerk in de Sakramentenkapel (Solemnele mis, lof met sermoen en processie).

De MEERSEN behoorden in elk geval tot de drukst bewoonde delen van de Sint-Salvatorparochie. Pauperisme en allerlei ziekten kwamen er veelvuldig voor. Er waren in de omgeving verschillende fortjes, echte haarden van armoede en epidemies. Dat de gevelkapel in die wijk werd geplaatst, beantwoordde waarschijnlijk aan de behoefte en kan in die zin gemakkelijk worden verklaard.

De gele lintjes (eindejaarsperiode)


Eindejaarsperiode in De Meersen

Elk jaar opnieuw worden de buurtbewoners verzocht een geel lint aan hun voordeur te hangen.
Doch voor zowel de buurtbewoners en de vele passanten is de betekenis ervan soms niet gekend.
Hieronder vindt U de verklarende tekst:
 
Na een lange gevangenisstraf zat hij nu in de bus naar de vrijheid; een bus die langs zijn huis zou passeren. Toen hij drie jaar geleden veroordeeld was, zag hij het niet meer zitten en had hij zijn vrouw gezegd niet op hem te blijven wachten. Hij had niets meer van haar gehoord, maar kon haar niet vergeten.
 
Net voor zijn vrijlating had hij haar een brief geschreven. Hij had alle begrip als ze hem niet meer wou terugzien, maar als ze toch nog voldoende van hem zou houden voor een ontmoeting, kreeg hij graag een seintje. Zijn bus was op weg naar de grootstad - waar je jezelf kunt vergeten- en zou voorbij haar haar passeren.
 
Een GEEL LINT rond de eikenboom in de voortuin, zou hem zeker doen aanbellen, anders reed hij wel door.
 
De spanning steeg met de kilometer. Hij moest zijn verhaal kwijt en vertelde zijn reisgenoten om zich heen, over de afspraak. De stadsgrens werd gepasseerd. Hij durfde niet meer te kijken, maar de reisgenoten speurden de weg af. Plots hoorde hij ze jubelen.
 
Toen hij de ogen opsloeg zag hij de eik in de voortuin behangen met wel honderd GELE LINTJES. Razendsnel drukt hij op de bel, de bus stopte en ... onze ex-gevangene ging aanbellen ...
 
Zijn vrouw hield nog steeds van hem !
 
Ze hield de deur voor hem open en ... gaf hem een nieuwe kans.