Deze website is deel van www.bruggelokaal.be.

Verhalenbundel 'De Meersen'

Deze bundel ontstond in het kader van 

het ‘Straffe Verhalenmoment’ en het ‘Straffe Toerenmoment’

  een samenwerking van

‘De Meersen’,

‘Klein Verhaal’,

onze buurtbewoners

en

sympathisanten.

 

Wij danken de vertellers :

 

Cecile, Dirk, Donatienne, Erik,

Ivonne, Jacqueline, Jacqueline,

Jenny, Lieve, Luc, Lydia, Maria, Rachel,

Raoul, Wilfried

 

die ons wisten te verrassen met de volgende verhalen 

 

(klik op de titel om te springen naar de bijhorende tekst)

 

Ik werkte in Oud Sint Jan

Zware gangster ontsnapt

De paardenstallingen

Goede buren

“De spiekere” van St Jan

Moord in de Goezeputstraat

Een bijna-ramp

Roste Miel

Het poëzievrouwtje van de Westmeers; iemand met een zending

Korte gijzeling loopt goed af

Dankzij Onze Lieve Vrouw van Lourdes

De kaarsen voor de plechtige communie

Ontsnapping uit patronaat Lode Zielens

Koekebrood in Beernem

Beelden uit mijn kinderjaren


  

 Ik werkte in Oud Sint Jan

Ik ben in ’51 in het hospitaal beginnen werken. En ik heb er 38 jaar héél graag gewerkt.

Maar … de evolutie is er zodanig vlug veranderd.

In het begin werden bijvoorbeeld de onderlakens niet gestreken. Na een tijdje moesten ze dan wel worden gestreken. De open hemden voor de operaties werden in het begin niet gestreken … en na een tijdje moesten ze dan ook worden gestreken…

 

Maar één ding moet ik wel vertellen : er was daar een zo schone familiegeest aanwezig. Moeder-overste haar feestdag werd gevierd, de patrones van de verpleegsterschool werd gevierd, … dat werd er allemaal gevierd.

 

Ik werkte er samen met zuster ‘Bertina’ … een beeld van een zuster. We konden bij haar onszelf zijn.

Zo begonnen we bijvoorbeeld eerst met het zingen van kerkliedjes … maar eindigden altijd met straatliedjes hé ! Daar beleefden we enorm … enorm plezier mee.

 

Toen werd er beslist dat de was moest worden uitbesteed.

Daar had ik het echt moeilijk mee… van ’t verdriet … dat dit werk moest verhuizen naar Oedelem.

 

Dan kwam ook de verandering dat ze met het hospitaal naar Sint Pieters gingen. Awel, ik heb daar geen stap willen zetten. Ik kon dat niet…

 

Nog steeds heb ik spijt dat dat hospitaal hier indertijd wegging…

 

 

Zware gangster ontsnapt

 

Ik leerde verpleegster in de verpleegsterschool.

In de jaren ’66 – ’67 was er een zware gangster ontsnapt uit de gevangenis.

 

Soms moesten wij ook ’s nachts van het Oud Hospitaal naar het Minnewater met bloedstalen en zo hé…

Ongeveer een kleine week na de ontsnapping kwam het uit dat die gangster zich blijkbaar gans die tijd verstopt had achter die muur in het Begijnhof.

Content dat we waren dat die Franse gangster opnieuw achter slot en grendel zat…

 

Hij had ook ingebroken bij een oud vrouwtje… het mens durfde naar haar huisje niet meer gaan. Gans die tijd was ze bij haar zoon ingetrokken. 

 

De paardenstallingen

 

Het waren de paarden van de vervoerdienst van Houtmondt. Van het Prinsenhof kwamen die paarden.

En alle dagen hoorden we ze passeren. En mijn mama zei toen : ‘Voila, de paarden naderen hun stallen en ze verrapperen een beetje !’…

We noemden die hoek 'de pishoek'.

Toen wij nog kind waren, waren die paarden er niet meer. Daar binnen was er een grote koer met de vroegere stallingen. Als kind speelden we daar hé… op die wagen en verstoppertje en zo hé…

Daar woonde ‘Zulma’ met haar 4 dochters.
 

 

 

Goede buren

 

Middernacht. Het regende lichtjes en de schaarse gaslantaarns weerspiegelden hun licht in de blinkende kasseistenen van de Oostmeers en het Zonnekemeers. Ze zagen er spekglad uit en glad waren ze zeker voor chauffeurs die te snel reden.

 

Zo'n chauffeur wilde net vanuit het Zonnekemeers de Oostmeers inrijden maar hij verloor de controle over het stuur en plofte tegen de hoge inrijpoort van smid Meuleman, een hoefsmid waar ook koetsen en andere wagens onderhouden werden. De familie Meuleman was dat al gewoon: het was de zoveelste auto in de rij. Dus telefoneerden ze de politie en die zouden zo snel mogelijk komen.

 

Tot hun ontzetting zagen ze echter dat het een buur was die de poort had ingebeukt. Ze hielpen de man uit zijn auto en zetten hem op een stoel in de keuken. Hij was ladderzat. Toch konden ze tot een akkoord komen: hij zou de aangerichte schade vergoeden. De smid haalde de jeneverfles boven en een borrel zou het akkoord bezegelen maar ... ze hadden zonder de politie gerekend.

 

Eenmaal ter plaatse gekomen begonnen de agenten de nodige vaststelling te doen en wilden de ongelukkige chauffeur ondervragen. Toen ze zagen dat hij nogal sterk onder invloed was zouden ze hem meenemen naar het commissariaat maar ze hadden zonder de smid gerekend. De smid schoot zijn buurman te hulp.

 

Hij gaf een onuitgegeven relaas van het gebeuren. Miel haastte zich naar huis toen zijn auto danig begon te slippen dat hij tegen de poort kwakte. De man was er onderste boven van. De smid en zijn vrouw hadden hem dan maar bij hen in de keuken geïnstalleerd. Om te bekomen van “den alteratie” hebben ze dan enkele borrels gedronken en zie daar was de politie dan... Ze hadden ondertussen alles al onderling geregeld want de chauffeur was toen nog bloednuchter.

 

Of er nog borrels gedronken werden, en door wie ... laten we in het midden.

 

“De spiekere” van St Jan

 (Fernand, jarenlang chauffeur van de spiekere)

Er moest een voertuig aangekocht worden om het eten te vervoeren langs de verbindingsweg en –tunnel tussen het Zonnekemeers en de Sebrechtsstraat. Een driewielig voertuig op elektriciteit werd aangekocht, te vergelijken met een vespa-driewieler met bagageruimte. Het voertuig kwam uit een fabriek uit Spijkernisse (Nederland) en werd algauw “de spiekere” genoemd.

Bij de ingebruikname werd al snel duidelijk dat de spiekere niet op de brug geraakte aan het Zonnekemeers, het had te weinig kracht. Dus men kon niet anders dan met het eten langs de Oostmeers te rijden. Nog in de eerste weken hoorde ik plots een hels kabaal tijdens een rit met het middagmaal, ik weet het nog goed, ’t waren hespenrolletjes. Ik zag ook passanten nogal uitbundig met hun armen zwaaien. Ik stopte om te kijken wat er loos was. Tot mijn grote verbazing bleek de helft van mijn lading op straat te liggen: overal patatten, hespenrollen, couverts en borden. Wat bleek, mijn lading eten werd er simpelweg uitgerammeld door de kasseien langs de Oostmeers. Onze kok toverde pijlsnel een lading nieuw eten maar dat belette niet dat het die dag dus twee uur in vertraging kwam.

Vanaf die dag paste ik mijn rijstijl aan en zorgde ik ervoor dat mijn deuren goed gesloten waren. Toch gebeurde het nog tijdens de vele jaren dat ik met de driewieler reed, dat er eten en bestek op de rijweg tuimelde.

Verbindingsweg en -tunnel tussen Zonnekemeers en Sebrechtsstraat.

Deze kon dus niet gebruikt worden met de spiekere: wel werd hij gebruikt voor alle andere vervoer tussen beide gebouwen: de technische dienst, ambulances, de bode met den brommer, en de lijkwagen gebruikten deze weg dag in dag uit. Deze baan was natuurlijk het ideale race-circuit, er was geen extern verkeer, het ging op en neer en er zat een stevige bocht in. Soms werd deze bocht al eens gemist door ambulanciers met te veel ambitie.

Op een dag kwam de lijkwagen aan in de Sebrechtsstraat met een overleden vrouw vanuit het Zonnekemeers: de deuren werden geopend en wat bleek? Het lijk was, door de formule1-rijstijl van de chauffeur, naast de berrie gevallen!

Dit zou en mocht niet meer gebeuren en de oplossing had kunnen simpel zijn: een iets aangepastere rijstijl. Dat zagen de chauffeurs niet echt zitten: vanaf die dag werden de overledenen respectvol vast gebonden………..met een touw aan hun voeten!

 

Moord in de Goezeputstraat

 

Toen de slager in zijn deurgat stond een sigaretje te draaien; had iedereen medelijden met hem. Hij was een stille, naarstige werker, zijn vrouw had hem laten zitten en was verdwenen met de noorderzon. De verdwijning werd wel verontrustend toen men na weken niets van haar hoorde.

De politie begon een speuractie.

 

De klandizie in de slagerij steeg flink want iedereen wou, uit eerste hand, de stand van zaken horen. De mensen waren woedend op de vrouw die blijkbaar een moeilijk karakter had en hard kon uitvaren tegen haar man in de winkel. Zo'n brave vent verdiende zoiets niet. 's Avonds werd er gezellig gebabbeld aan het deurgat van de slagerij. De slager was – zoals altijd – nogal stil en rookte rustig zijn sigaretje.

 

Op een morgen kon men in de krant lezen dat men stukken van een vrouwenlijk uit de “vaart” gevist had. Na veel dreggen werd het ganse lijk bovengehaald maar het hoofd was onvindbaar. Het lijk was op een deskundige manier versneden; precies door een slager. Onze slager werd aangehouden en beschuldigd van moord op zijn vrouw. Geen hoofd te vinden. De naaste buren herinnerden zich dat kort na het verdwijnen van de vrouw er zeer veel stinkende rook uit de schoorsteen kwam: een stank van verbrand haar en benen...

 

Iedereen was ervan overtuigd dat hij een brave vent was en ... als hij ooit zoiets zou gedaan hebben; dat alleen had kunnen gebeuren omdat de vrouw hem zover gedreven had... Korte tijd nadien verhuisde de slager naar het Sint-Gilliskwartier. In de koelte van de avond stond hij daar rustig een sigaretje te roken in het deurportaal van zijn winkel in Kalvariebergstraat...

 

Een bijna-ramp

 

In de Oostmeers was er – schuinsover de materniteit – een groothandel in pharmaceutische producten kortweg Pharma genoemd. Heel Brugge kwam er zich bevoorraden incluis de ziekenhuizen. Toen werden gevaarlijke stoffen en het opslaan ervan nog niet zo streng gereglementeerd. Daarbij was de verpakking ervan vaak beperkt tot een grote buikfles van 10 tot 50 liter waarrond een mand gevlochten was met draagoren.

Op een dag in de vijftigerjaren kwam er een apothekersknecht met een vrij grote flesmand ontvlambare vloeistof naar buiten, struikelde over de drempel, valt en er ontstond een grote steekvlam. De man stond onmiddellijk in brand en met hem het voorste gedeelte van het gebouw. De man die huilde van de pijn werd “geblust” en naar de nabijgelegen materniteit gebracht. De brandweer rukte uit om te blussen maar ook om een grote tank met ether te vrijwaren.

Heel wat risico's werden genomen om het ontploffingsgevaar te doen wijken en men slaagde erin. Het gebouw werd helemaal verwoest maar de wijk werd van een onoverzienbare ramp gespaard. Ondertussen kreeg de betrokken Pharma geen vergunning meer om zich in de binnenstad te vestigen ...

 

Vestigingen in de “Meers” die werk boden aan de bewoners:

  • de Materniteit - Oostmeers
  • het Sint-Janshospitaal – Zonnekemeers/Mariastraaat
  • De Minnewaterkliniek – Prof. Sebrechtsstraat
  • Kaarsengieterij Van Lanckeren - Oostmeers
  • Brouwerij Maes – De Halve Maan - Walplein
  • Kunstwerkhuizen Claeys - Zonnekemeers
  • Wasserij Vansevenant - Westmeers
  • Mouterij Cauwe – tussen West- en Oostmeers
  • Schrijnwerkerij Oostmeers
  • Koopvrouwen van Kant – overal gevestigd

 

Roste Miel

 

Vroeger waren de Meersen een beruchte buurt. Kinderen mochten er van hun ouders niet komen omdat men zei dat ze in de Meersen met messen vochten.

Roste Miel was de burgemeester van de Meersen, nee zelfs van West Brugge.

Kortom hij had veel te zeggen, een grote mond maar een goed hart.

Roste Miel kwam eens langs bij huize Leys en zei : ‘Je vent is toch ook een brokke van een artiest, ‘k en hier etwa gekocht, een schilderietje. Wat vien je gelinder der van ?’

In de winter zorgden de buren voor Roste Miel want hij vergat nogal eens zijn venster dicht te doen, en men wilde hem niet doodgevroren hebben.

 

Het poëzievrouwtje van de Westmeers; iemand met een zending

 

In haar huiskamer zit zij kalligrafische te schrijven … Het gaat niet meer zo vlot sedert die dubbele polsbreuk van enkele jaren geleden. .
Ze verwerkt levenswijsheid en poëzie kalligrafisch tot een leeswaardige tekst voor iedereen. Eenmaal een aantal bladeren klaar; trekt ze er op uit.

 

Ze gaat op de belknoppen duwen in de buurt. Bellen van mensen die vaak weinig tijd hebben of argwanend de deur op een spleet zetten.

Daar staat ze dan met haar teksten in de hand en de vraag er één uit te kiezen en aan het raam te hangen. Zo kan zowel bewoner als passant levenswijsheid en poëzie langs de straat ontdekken, er even bij stilstaan en er over mijmeren...

 

Soms staan voorbijgangers stil aan het raam, lezen de tekst en vragen de verbaasde bewoner naar de betekenis van die actie in de straat.
In feite is het alleen maar een getuigenis, een bedenking, een kleine boodschap van mensen die met hun zintuigen de realiteit anders aanvoelen. Zij hebben de gave om zoiets met hun letterkunst subliem te verwoorden..

 

Deze schrijvers zijn de voelsprieten van onze tijd. Ze zijn de antennes waar passanten op kunnen afstemmen. Dank zij de zending van ons “poëzievrouwtje” komen zij bij iedereen terecht.

 

 Korte gijzeling loopt goed af

 

Het verhaal brengt mij 25 jaar terug in de tijd. Begin december 1984. Mijn eerste werkdag als wijkagent op West-Brugge.

 

In de Westmeers bestonden er toen meer handelszaken dan vandaag. In een nu niet meer bestaande handelszaak moest ik toen beroepshalve zijn. Wat ik echter niet wist was dat de zaakvoerster een weinig zenuwziek was en momenten had van hysterische buien.

 

Op zo’n moment kwam ik binnen … Voor de vrouw in kwestie was ik als de rode lap voor de stier. Zonder de kans te krijgen mij te kunnen voorstellen werd ik prompt in de handelszaak opgesloten, zeggende : “Je gaat hier niet meer buiten !”. Ik werd als het ware gegijzeld, want anderhalf uur lang zat ik opgesloten, en van radio-communicatie met de politiewacht was er toen nog geen sprake.

Het kostte mij die eerste werkdag op de wijk heel veel overredingskracht om de vrouw des huizes te overhalen mij vrij te laten. Eventjes dacht ik : dit staat mij toch niet regelmatig te wachten op de wijk.

 

Je begrijpt die eerste arbeidsdag op de wijk zal ik niet licht vergeten.

 

Dankzij Onze Lieve Vrouw van Lourdes

 

Dit verhaal brengt mij naar het Brugse Begijnhof. In veel gevallen een plaats van peis en vree, maar toch !

 

Zo’n 12 -13 jaar geleden waren er “meningsverschillen” gerezen tussen 2 godvrezende alleenstaande vrouwen die mekaars buur waren.

Een jaar of 2 eerder waren beide vrouwen op bedevaart geweest naar een Maria-oord. De ene vrouw was naar Polen geweest, de andere naar het voormalige Joegoslavië.

Het wonderlijke was dat in beide gevallen, volgens betrokkenen, Maria tot hen gesproken had. Ze kregen de boodschap mee het kwade te bestrijden, en zo nodig te vernietigen. En dit kwade was “toevallig” hun buurvrouw.

 

Gedurende een paar jaren was er voortdurend geruzie, onverdraagzaamheid, en zelfs pesterijen die de leefkwaliteit van beide vrouwen danig bemoeilijkte. Tientallen politietussenkomsten brachten geen oplossing. Met redelijke argumenten bereikte men niets. Er was geen land mee te bezeilen. Ook mijn pogingen als wijkagent de vrede te herstellen hadden niet het minste effect.

 

Tot ik op een dag het idee kreeg beiden een brief te schrijven. Ik was zogezegd naar OLV van Lourdes geweest op bedevaart ( in 1982 was ik er op militaire bedevaart). Maria had ook tot mij gesproken en de boodschap meegegeven te pogen overal vrede te stichten tussen mensen. Wanneer dit niet lukte moest ik de ruzie makende mensen vertellen dat uiteindelijk de verstandigste moest verhuizen.

 

De in de brievenbus gedeponeerde brief miste zijn effect niet. Binnen het uur kreeg ik op kantoor een verontwaardigde vrouw, die alles maar wat belachelijk vond.

Toen ik er haar op wees dat ze de woorden van OLV van Lourdes niet zo maar naast zich neer kon laten en ze vroeg of laat rekenschap diende af te leggen voor haar “ongeloof” ging ze kwaad weg.

De tweede vrouw reageerde telefonisch. Zij had slechts één vraag, of het niet mijn innerlijke stem was die ik gehoord had in plaats van Maria’s boodschap. Ik ontnam haar echter alle twijfels.

Ongeveer een maand later verhuisde één van de twee vrouwen en daarmee was het probleem van de baan.

 

Ik vermeld nog dat beide huisjes vol stonden met religieuze beeldjes, kaarsen en lichtjes.

 

 

De kaarsen voor de plechtige communie

 

Wij kochten onze kaarsen aan tante Cordule, die kocht haar was hier bij Van Lancker.

Het was een grote kaars.

 

Nu, … ik kwam thuis met het kaartje van de koster -die in de Beenhouwerstraat ook kaarsen verkocht van Hautekiet hé-.

 

‘We hebben hier een kaartje gekregen van de koster !’zei ik aan mijn mama. ‘Ja, ‘k weet het.’ zei ze. ‘Leg het daar maar. We kopen onze kaarsen aan tante Cordule’ antwoordde ze kordaat.

 

De dag van de plechtige communie zelf, moesten we dan in het kapittel – wat nu de schatkamer is- reeds om kwart na zes ’s morgens zijn.

 

De processie ging dan uit; rondom aan de binnenkant van de kerk.

 

Als dat gedaan was, maar vooraleer de mis begon… kwam de koster dan al die kaarsen ophalen.

Ik zat als derde in de rij. Zanne zat de eerste, daarna Irène en dan ik, enzovoort…

Hij haalt eerst de kaars af van Zanne, en dan de tweede bij Irène en mij… laat ie staan !?

 

Hij deed verder voort. Al bij al waren we toen toch met tachtig. Hij haalde ze allemaal op die kaarsen…zowel van de jongens als van de meisjes. En als hij ze allemaal had afgehaald, kwam ie om de mijne.

 

Mijn mama zei aan de zijkant –waar de ouders mochten zitten- tegen mijn papa : ‘Je moet nu kijken, zie ! Hij laat dat kind staan met z’n kaars omdat het geen van hem is !’

 

Uiteindelijk, moest hij de kaars toch ophalen.

Maar zolang moest ik er toch staan met mijn kaars, hé !

 

Ontsnapping uit patronaat Lode Zielens

 

Iedereen kent wellicht de bibliotheek van Lode Zielens.

In het jaar ’44 was de oorlog voor ons al gedaan, want Brugge werd bevrijd op 12 september 1944. Maar de oorlog was pas volledig ten einde in mei ‘45.

 

Ik woonde hier in de Oostmeers rechttegenover ‘het moederhuis’, dus tussen 2 grote gebouwen : het ‘moederhuis’ en de ‘bibliotheek’. In feite was in die tijd de bibliotheek een patronaat van vrouwen; ‘oude jonge dochters’ zeiden ze vroeger.

 

Wel in ’44 lagen er hier ‘gestrafte’ soldaten; soldaten die niet meer wilden vechten.

Mijn papa zei dan ook altijd : ‘Als jullie weggaan, de achterdeur toedoen ! Want ik betrouw dat niet hé’.

 

Nu is er een mooi aangelegd hofje in de St.Obrechtsstraat, dat onderhouden wordt door de groendienst. Maar toen was dat er nog niet. Als je binnenkomt in de St.Obrechtsstraat zijn er 2 huisjes -en die zijn er nog- en verder was er een blinde muur tot aan de Westmeers. Dus het was een gesloten binnenplaats toendertijd.

 

Nu, op een zondagnamiddag was het zeer mooi weer. Van die hondsdagen , zoals we zeggen.

Mijn vader, mijn moeder en ikzelf waren op stap geweest. We kwamen thuis rond etensuur. Plots, halverwege zijn boterham -ik zie het nog voor me- keek mijn vader door het venster. ‘Wat is er ?’ vroeg ik hem nog. ‘Daar zie ! Eén…, twee…, drie…. ‘k Heb het altijd al gezegd. De achterdeur toe hé. En we doen niet open!’

 

We waren een beetje gespannen. Jawel, ze kwamen over de muur gekropen. Bij ‘Nanietjie’ klopten ze op de deur, … maar ze waren niet thuis. Ernaast bij ‘Marietje’, ‘klop klop’ op de deur … niemand thuis. Ze geraakten al tot aan de hoek bij ‘Lowisky’ – daar reeds aan de Oostmeers hé-. We hielden ons hart vast, ze waren bijna tot aan onze deur. We hielden haast onze adem in. Bij onze gebuur …. niemand thuis. Nu was het onze toer.

Ik herinner het me nog goed : de kuip stond daar om ons vuil goed ‘te week’ te zetten, om ’s anderendaags de was te doen.

Ze klommen over onze muur. In onze achterdeur was er een ruitje. We hoorden ze wrikkelen aan de deurklink. We zagen ze daarna klimmen op de steenput – een overblijfsel van in het vroegere beluik met gemeenschappelijke open grasplein. De muur over en ze kwamen bij onze andere geburen.

 

Zij waren zopas thuis gekomen op deze zonnige zondagnamiddag. Eenmaal thuis zetten ze de voordeur open… de achterdeur open… Het was enorm warm die dag. Madam had er kleed afgedaan en liep in haar ‘combinaison’.

 

Daar waren ze. Onze gebuur riep nog ‘Een beetje kalm hé!’, toen ze langs de achterdeur binnenliepen. Er was daar immers een meisje van 5 aan het rondlopen. Het andere kleintje lag op een dekentje zijn fles te drinken. Ze liepen door het huis tot aan de voordeur. Daar hielden ze halt op zeggen van de hoofdman van het drietal.

Hij wist af van de wacht die permanent rond de blok -Westmeers, Koolbranderstraat, Oostmeers en St.Obrechtsstraat- patrouilleerde. Dag en nacht hé, altijd maar diezelfde toer !

 

Ze bleven op de uitkijk tot de wacht er niet meer was. ‘Okay’ zeiden ze en weg waren ze.

 

Wij gingen ook naar buiten. De ‘roe was van ’t gat hé’ zeggen ze; mijn vader had nu geen schrik meer.

Hij tegen onze gebuur ‘Je zult dat moeten melden aan die soldaten hé! Ah ja, je hebt ze door je huis laten gaan’. ‘Ja, denk je?’ antwoordde onze gebuur. ‘Ik zou dat toch melden hoor.’ zei mijn vader nog.

Onze buurman hoorde de voetstappen van die wacht nog en liep hem achterna. Hij tikte op zijn schouder en meldde het gebeuren : ‘Three men… partie!’.

 

De vluchtelingen zijn nooit niet ver geraakt. Weet je waar ze naartoe waren gegaan ? Naar de Ankerplaats een pintje gaan drinken… en ’s nachts waren ze teruggekeerd. Ver zouden deze Canadese soldaten toch niet geraken, hé.


Koekebrood in Beernem

 

De Heilige Germana –waar nu de verpleegsterschool is- daar was de patronage.

 

We hebben daar redelijk schone jaren gehad.

’s Morgens om 9 uur was er een mooie mis, gezongen door de leden. ‘Avonds mochten we dan nog komen zo vanaf rond 4 uur 30 tot rond kwart voor 8.

Daar kon men zich amuseren. In de winter en in de zomer. Er was een grote zaal. En de koer kwam er tot aan de zusters van het hospitaal, want je kon er de koeien horen loeien. Wij gingen dus naar de Germana.

 

In het jaar ’42 … in de oorlog.

Juffrouw Maertens was een van de juffrouwen. Je had er ook nog juffrouw ‘Parret’, juffrouw ‘De Loof’, … Maar juffrouw Maertens was ’t kopstuk.

 

Zij had een overeenkomst met de gravin ‘van Outryve ‘dYdewalle’ die op het kasteel ‘Drie Koningen’ te Beernem woonde. Om de 14 dagen mochten een twaalftal van die meisjes er komen om er ‘koekestutten mè rozientjies en chocolakaffie’’ te eten.

Dat was voor ons ‘het van het’ hé… We waren al lang de smaak van koekebrood vergeten. We konden er alleen nog van dromen…

 

Op een keer vroeg juffrouw Maertens me ‘Zou je ook niet eens meegaan naar Beernem ?’. Ik was er op dat moment nog niet klaar … het ging me niet goed… ik was nog maar mijn zuster verloren. Veertien dagen later vroeg ze me opnieuw ‘Allez, heb je er al eens over nagedacht ? Ga je een keer mee ? Het zijn zo al van die meisjes in jouw goesting. Misschien wat ouder… maar toch’. Ik hapte toe en zei ‘Awel, ’t is goed!’.

 

Dus we zouden naar Beernem gaan! Te voet erheen, maar met de trein terug.

 

We vertrokken om 1 uur 30 richting Beernem. Dat ging goed … een beetje al babbelend, al zotten en al zwansend. Om welk uur we arriveerden herinner ik me niet meer juist, misschien rond kwart na 3 of zo... en het aantal kilometers werden ook niet geteld.

 

We kwamen toe waar de gravin ons zeer vriendelijk ontving. Ze ging mee en gezamenlijk speelden we in de bossen en het struikgewas… een zeer vriendelijk mens.

Om 4 uur 30 mochten we binnen in het kasteel… om onze boterhammetjes koekebrood met de chocolademelk … Er waren er weinig die zich durfden roeren… trouwens veel tijd hadden ze niet want ze waren aan het smullen. Daarna gingen we opnieuw spelen.

 

Tot omtrent 6 uur 30 als juffrouw Maertens ons opmerkte : ‘Kinderen we moeten opletten dat we onze trein halen’. Een beetje voortmaken, hé!’. Maar meneer van Outryve – Hubert die later stierf in de kampen- wou nog een foto maken van ons op het bordes. Hij haalde zijn kodak en wij stelden ons op. De ene wou naast die staan, een andere wou dan weer naast haar vriendin staan… je weet hoe dat is hé. Er kruipt daar natuurlijk wat tijd in. De man trok de foto.

 

Het geduld van juffrouw Maertens was ondertussen op de proef gesteld: ‘Jamaar, kinderen… nu moeten we echt voortmaken, hé!!’

Suzanne stapte naast me in die mooie dreef die tot aan het station liep. Aan de linkerkant zagen we daar een trein rijden. ‘Wedden, dat de trein is die wij moesten hebben ?‘ zei Suzanne nog tegen me. ‘Ga weg’ zei ik. ‘Jaja, ik denk het toch’ bevestigde Suzanne.

Eenmaal aan het station gearriveerd vraagt juffrouw Maertens aan de chef-garde ‘Meneer, wanneer is er hier een trein naar Brugge?’. ‘Heb je hem daar gezien?’ was zijn antwoord. ‘Zie je wel!’ herinnerde Suzanne me.

‘En wanneer is er nog een ? ‘ probeerde juffrouw Maertens. ‘Geen meer! … Ah, jawel er komt hier nog 1 met Duitse soldaten. … Maar die stopt hier niet.’ verzekerde de chef-garde. Juffrouw Maertens kon blijkbaar de chef-garde overtuigen – waarschijnlijk iets toegestopt hé- om een middel te vinden die trein te doen stoppen. Want hij nam een stok met een rode vlag. Hij stond met zijn rode vlag de trein op te wachten.

Ondertussen werden we aangemaand bijeen te blijven en op de trein niet te verspreid te gaan zitten.

Ze had immers de verantwoordelijkheid over ons. En wij maar wachten … en wachten… Ondertussen werd het al schemerdonker –zo halverwege september begint het al vroeger donker te worden. Eindelijk zagen we de trein komen. Het was een trein met een rookpluim … niet zo een als tegenwoordig. ‘Toef…toef…toeftoef’. De chef-garde met zijn rode lap op stok deed de trein stoppen.

Direct werden ALLE deuren opengeworpen -die soldaten zagen de 16-17jarige meisjes staan hé-!

De hoofdman stapt van de trein ‘Was iest er loos??’. De chef-garde expliceerde de situatie. ‘Rauss’ werd er geroepen. Alle deuren vlogen opnieuw toe, de trein zette aan en weg … zonder ons. We mochten niet mee. Daar stonden we dan.

 

Sommigen opperden terug te keren naar het kasteel, in de stille hoop op een overnachting in het kasteel. Maar ik herinnerde hen ‘Alsjeblieft, mijn moeder zal het besterven als we dat doen!’. Toen we deze middag vertrokken passeerden we immers langs ons huis, waar mijn moeder ons uitzwaaide vanaf haar voordeur. Half lachend had juffrouw Maertens haar nog toegeroepen ‘Allez, Malfientje, als je ons vanavond niet ziet… dan is het tot morgenochtend hé!’. ‘Durf een keer!’ zwaaide ze met gebalde vuist terug. Ik zag dit beeld direct voor de ogen.

Juffrouw Maertens gaf de instructies : ‘Niets aan te doen. Pak jullie moed in jullie handen en we keren te voet terug naar Brugge. We zijn te voet gekomen en we kunnen te voet terug!’. Ik liep altijd op hoge hakjes … neen geen blokhakjes.. hoge. Maar ik had daar geen moeite mee… huppeldepup en ik was weg.

Al vertellend bereikten we uiteindelijk Steenbrugge. Nadien pas kwam ik te weten van juffrouw Maertens dat ze niet eens zeker was van de weg dat we hadden gevolgd. Maar we arriveerden toch aan Steenbrugge.

De vliegers kwamen overgevlogen en met de zoeklichten. Wat we ook wisten : de Katelijnepoort werd bewaakt door soldaten en na de twaalven werd de brug afgesloten… niemand naar Assebroek en niemand naar Brugge. We waren er toch op tijd door.

Nog vlug afspreken wie in de donkerte met elkaar mee kon tot thuis. Ik naar huis.

Mijn mama zat in de clubzetel op me te wachten. Door de gordijn te loeren en luisterend of niemand in aantocht was…

Plots ging de voordeur open ‘Jij gaat nooit meer mee !!’ riep ze.

 

’s Anderendaags kon ik alleen nog maar op de trappen door mijn benen te helpen ondersteunen. Zo moe was ik. Maar als ze me nadien vroegen ‘Ben je een goede stapper?’, kon ik antwoorden ‘Welja, ik ben al eens te voet van Brugge naar Beernem … en terug geweest!’ Geens mens die mee geloofde.

 

Beelden uit mijn kinderjaren

 

‘Het jaarlijkse wijkfeest in de Meersen.’

 

Het jaarlijkse wijkfeest in de Meersen was traditiegetrouw in de eerste zondag van juli.

De beelden staan in mijn geheugen gegrift. Ik zie het feest nog levendig voor mij.

Ik was toen misschien 7 à 8 jaar en zal het zo getrouw mogelijk vertellen.

 

Er was een wijkcomité met Mr. Etienne Claeys als erevoorzitter. Verder had je Lucien Roos, als grote bezieler van de stoet. Hij was geen toneelspeler, maar kon een stoet ineensteken. Ook had je nog Mr. Floreal, en verder Mr. Druwel, Mr. Neutens, Mr. Steeman en Mr. Clicteur. Er waren wel nog anderen, maar deze zijn de uitspringers, naar mijn mening.
Het was heel vrijblijvend om in de Vereniging als lid mee te doen. Als je werkelijk lid wou zijn, kwam Mr. Clicteur, maandelijks -denk ik- 1 frank ophalen.

Eerst een tussendoortje.
Voor de leden van de Vereniging kwam op het Sinterklaasfeest de heilige man ‘himself’ in een koets de kinderen een zak snoep afgeven. Ze moeten wel op deze dag aan hun deur staan.

 

Nu terug naar die zondag van juli wanneer het jaarlijkse wijkfeest in de Meersen doorging.

 

Het feest begon al de avond voordien met een ‘slufferbal’ op de Statieplaats (nu ’t Zand). De sfeer kwam er dan al in.

 

De zondagmorgen was heel het bestuur present om de H. Mis van 9.00 uur in Sint Salvators bij te wonen want daar hielden ze van. Na de Mis kon het feest beginnen. Je moet weten dat iedereen voordien al druk in de weer was geweest om papieren rozen in alle kleuren te maken om de gevels te versieren met groene guirlandes.

 

De cafés hadden allemaal een mooie spreuk boven hun deur. ’t Was geestig om dat de zondagmorgen te gaan bekijken. Heel de toer bestond uit: Oostmeers, Westmeers en de zijstraten (en er waren d’r nogal wat – ik schat dat er ongeveer in de twintig cafés waren).

 

Iedereen nodigde de eigen familie uit om ’s middags te komen eten en daarna de stoet in ogenschouw te nemen … en wat voor een stoet.

 

 

De stoet

Er mocht werkelijk mee geboft worden, want die was de moeite waard! Er deden veel vreemde groepen in de stoet mee van buiten Bruggen, o.a. ‘Op Sinjoorke’, ‘de lustige jagers’, ‘Sinorita’s’ en veel muziekgroepen.

 

Maar de schoonste groep vond ik die van de Meers zelf, de onze eigenlijk. Allemaal eigen mensen …
Weken voordien spande Lucien Roos zich in en hij had er een handje van weg, niemand kon het beter. Als je in de stoet wilde gaan, moest je je laten inschrijven aan ’t Speytje. Hij sorteerde daar al die kinderen van deze of gene groep. Het kostte hem heel wat zweet en stemgeluid, zonder micro’s.

 

Onze groep noemde ‘De vier jaargetijden’.

 

Eerst de kleintjes, die de Lente verbeelden, allen met een gietertje in de hand en ze zongen:

 

’t Huis, in bloemenpotjes lei,

moeder, zaadjes in de mei.

We zagen ze kiemen.

We zagen ze schieten.

Dan mochten wij met eigen hand,

Watertje gieten op elke plant,

Watertje, watertje gieten

Watertje, watertje gie..ie..ie..ten.

 

Dan kwam de Zomer.
Dit waren de jongens en meisjes van ongeveer 12 jaar, mooi gekleed als boertjes en boerinnetjes. Alles werd ineengeknutseld door Mieten Mechelaere, de vrouw van de Lucien Roos, die een winkel uitbaatte van textielwaren. Je had die grote strooien hoeden op hun ‘koppekens’ moeten zien wiegelen. Zij ‘klefferden’ met klompen aan de voeten, alles gekocht op de Bezemmarkt. De klompen waren in mooie kleuren bij de meisjes, en de jongens hadden witte boerenklompjes aan. In het midden van de groep kwam een wagen van ‘de kerselaar’ en daarover hing ook het liedje dat die groep zong.
 

Mijn zus (Zr. Claeys) was in die groep. Zie haar eens voor je als twaalfjarig boerinneke op ‘heur’ mooie klompjes zingen …

 

Zie onze kerselaar, hij is gans van bloemen wit.

Hoe prachtig staat hij daar, is hij fraaier zich aldeen.

Juist onbedeesd, zing om ter meest.

Wees verheugd van hart en geest.

’t Is feest.

 

Hoort gij de bijen niet in de mooie reuzenkroon.

Zij zingen ook hun lied en dat klinkt heel wonderschoon.

Gaat nu alras, honing en was,

want dat komt ons goed van pas.

’t Is feest.

 

Dan kwam de Herfst met in het midden een wagen met een molen. Daarin zat een man de wieken te draaien. Ik zat in die groep. Hier volgt het liedje:

 

Het windje waait, de molen draait,

Dat is de mulder zijn leven,

De mulder …

De zak rijst draaiend naar de kap

Terwijl hij ’t venstertje binnenflapt.

 

Dan volgde natuurlijk de Winter.

Dat waren al grote jongens van 16 jaar. Zij zongen het winterlied.

 

De zomer is voorbij, nu is het wintertijd.

Vermaak nu en plezier, wij voelen geen koude hier.

Schaatsen rijden, ons verblijden.

In triomfe zullen we zijn, de ziekten vermijden.

 

Die stoet werd in ogenschouw genomen door een jury die op de ere-tribune gezeten was aan het huis van Lucien Roos. Er werden punten toegekend in competitie voor de mooiste groep. De eerste werd natuurlijk bekroond. De winnende groep bedacht de jury zelfs met een dankliedje.

 

Een heil en dronk bieden wij u aan

Aan hen die nog zo moedig staan:

Aan het bestuur en al zijn leden,

Dat zij nog lang tesamen leven.

Lang leven ze tesamen

Dat ze nog leven tot honderd jaren.

 

Na de stoet begonnen de cafeetjes te draaien zodat het bier rijkelijk vloeide. Nu, ze hadden er heel het jaar voor gewerkt en gespaard en ’t mocht eraf. Ze gingen dan de volgende week patatten met ‘koontjessaus’ eten. Koontjes dat was hetgeen als bezinksel bleef in de pot als er ‘smout’ gesmolten werd. Dat ding gingen ze kopen in “’t Winebakeltje” in de Goezenputstraat (waar nu coiffeur Luc is).

 

 

De volksspelen

Dan begonnen de volksspelen voor gans de week. Wie daaraan wou deelnemen moest zich laten inschrijven. ’t Was nog veel geestiger voor de toeschouwers.

 

Er was vooral plezier bij het ‘eitje slaan’, er werd dan een koord gespannen over gans de straat over heel de breedte met in het midden een papieren bolletje (een eitje) dat ze geblinddoekt moesten proberen te raken met een schuimspaan (vanaf een stap of drie). Natuurlijk liep het 9 op de 10 keer mis, tot groot jolijt van de omstaanders.

 

Dan kwam nog ‘appeltje bijt’ (in een was bassin dreven de appels op het water en probeer maar ze eruit te bijten.

 

In een andere straat was het ‘kloefje water’, een gevulde klomp met water op een wipplank, een trap op de plank en ’t kloefje trachten te vangen onder een klets water …

 

Verder was het ‘mastklimmen’, een mast werd met bruine zeep bestreken en bovenaan stond een wiel met alle soorten prijzen, maar slier maar naar beneden en reeds van halverwege!

 

In ’t Zonnekemeers zaten op een verhoog twee mannen met allerlei verfpotten mekaars aangezicht te beschilderen.

 

Op heel de lengte van de Oostmeers was er ‘zakkeloping’. Men moest echt met de twee voeten in een zak heel dat eind lopen … en er werden heel wat buitelingen gemaakt.

 

Enfin er was heel veel te zien en te beleven. Ja, dat er ook wel een pintje te veel werd gepakt staat buiten kijf en er werd dan ook soms geruzied zodat de pinten hier en daar sneuvelend … of ook zelf dronk men er wel een mee, dat verhoogde nog de pret bij de kijkers.

 

De vlag

Nu moet ik nog iets vertellen over het vaandel. Ze hadden de koppen bijeen gestoken en ja, ze moesten toch een vlag hebben. Dus trokken ze naar ‘Grossé’ op de Simon Stevinplaats om een geborduurde vlag met daarop de toren van Sint Salvator en de naam ‘Sint Salvators voorwaarts’ te kopen. Het vaandel kwam klaar en ze trokken ermee naar de ‘Upperpaster’, meneer Yserbyt, met de vraag om die vlag te wijden. Ze werden vriendelijk ontvangen maar moesten vertellen wat dat feesten zoal inhield.

Zij aan de klap tot er ene zie: ‘en meneer Patser, dat begint de zaterdagavond op de ‘Statieplaats’ met een ‘slufferbal’.

De pastoor: “Met een slufferbal, en wa dansen ze dan?”

“Ehwel bah ja …”

“Maar als dat zo is”, zie de patsoor, “dan kan ik die vlag niet wijden”.

Zo, ze mochten terug naar huis, doch ze lieten zich zo maar niet afschepen.

 

Ene kreeg in zijn gedacht: “Willen we het gaan vragen aan Mr. Logghe? Hij was proost van het A.C.V. van de Gilde en was erg voor het werkvolk”.

 

En hup naar de Dweersstraat, naar Mr. Logghe. Dat werd allemaal uiteengezet, hij had waarschijnlijk binnenpretjes. Allez, het was goed. Hij ging die vlag wijden maar er was één voorwaarde aan verbonden. Ze moesten dan hun Mis niet laten doen in Sint Salvator, maar wel in de kapel van Blindekens waar hij ook proost was. Als het dat maar was, zou dit ook zo gebeuren.

 

Het feest kon beginnen. De plechtige opening gebeurde dus in Blindekens om 9.00 uur en Mr. Ysenbyt had er het kijken naar …

 

O O O

 

Hier volgt nog een liedje dat daar ’s avonds, al hossen achter de fanfare, een soort taptoe, gezongen werd: dat klonk zo:

Je moet daar nie zitten lijk ene bagien.

De drank, die moet er geschonken zien.

Schienkt den drank zijnen klank.

Dat me rollen, dat me rollen.

Dat me rollen in de gang.

Laat ons, laat ons vrede maken en niet gaan slapen.

 

Voor de repetities van de stoet legden ze beslag op heel het kwartier en overal hoorde je zingen.
In de ‘Germana’; in de ‘Congregatie’ van de Westmeers; in ‘Brugge aan zee’ en op de ‘Veste’ alsook in het café ‘de Pollepel’. Daar werden de algemene repetities gehouden, op de ‘vest’, om goed op stap te leren gaan en ook om te zien wat een tijd dat alles in beslag zou nemen. Ja, ja, er was orde in de horde!!!

 

Dat was toch voor die jaren – 1929-1930 – wat betreft organisatie, een waar succes!

 

Na de oorlog 1940-1944 wilde men dat heropstoven, natuurlijk met een ander bestuur en … een gans andere mentaliteit. Zo begonnen ze met haut-parleurs op te hangen aan de muren op straat, zodat heel het kwartier van de muziek zou kunnen genieten ??? De meeste tijd verging echter in plaatjes voor elkaar aan te vragen. Het leek meer op een ‘braderie’ zonder commercie. Neen, ’t was dat niet meer. De samenhorigheid van vroeger was daar niet meer. De ziel van het buurtfeest, dat van vroeger, was eruit.
Spijtig genoeg is dit zo, ze mogen nu nog zo hun best doen om het volk bijeen te krijgen die ‘fut’ is eruit.
Het gaat niet meer en de bezieling van vroeger komt ook nooit weer terug.

 

Wij hebben het gehad en hebben ervan genoten.

 

 

Macharius

Graag had ik nog iets verteld over ‘Macharius’, het beeld in de Oostmeers dat naast de gevel van beenhouwerij ‘Sissau’ staat. Het was een beeld in een mooi arduinen nis. Macharius was een heilige die vereerd werd om gespaard te blijven van besmettelijke ziekten, zoals cholera, pest, enz. …

 

In die wijkfeesten werd dit beeld schoon met bloemen versierd. Aan weerszijden waren er kandelaars in gesmeed ijzer.

 

Na tijd van jaren begon het geheel er zeer bouwvallig uit te zien. De kandelaars waren in wankel evenwicht en het beeld achter ‘kiekengaas’ was ook al niet meer ‘gaaf en gezond’.
 

Na een pittig artikel in een Brugs Cultuurblad kreeg het toch weer aandacht. Het moest een restauratiebeurt krijgen. De Vereniging ‘Brugge Mariastad’ en de dienst Monumenten en andere bevoegde instanties maakten er werk van. Jawel, het werd volledig opgepoetst en de kandelaars werden rechtgezet en heel vernieuwd, zodanig dat - naar ik heb horen zeggen – het echte oude beeld en veilig plaatsje heeft gevonden ergens in een museum en er een nieuw Macharius-beeld in alle pracht praal de oude moest vervangen.
Dat was ook al een belevenis. De inzegening van het mooi versierde beeld had plaats door niemand minder dan E.H. Kanunnik Lagrain. Hij kwispelde met wijwater en hield een heel mooie gelegenheidsrede. Dat was de moeite waard en hij zei - wat ook waar was - “De Meers wordt van langsom schoner”.

 

 

 

Dat zijn nu allemaal vertellingskens uit de oude doos of uit het verleden. Ze werden verhaald – niet ‘door horen zeggen’ of gehaald ‘uit oude papieren’ – maar door een ware ooggetuige, die nog met veel smaak al die belevenissen met wil delen en in uw geheugen laten intreden.

Ik wens u evenveel plezier aan deze lezing als ikzelf heb gehad aan die kleurrijke folkloristische gebeurtenissen. Wat leefde er zoal in die ‘Meersen’ zo’n zeventigtal jaren geleden … dat is wel nog niet zo lang geleden, maar wie weet er nog iets van …

Voor mij was dit het vertellen waard.